Hond met gezonde spijsvertering - enzymtherapie bij EPI

EPI bij hond en kat: symptomen, diagnose en behandeling

Spijsverteringsenzymen en Pancreasinsufficientie bij Honden en Katten

Wanneer je huisdier ondanks een goede eetlust blijft afvallen, chronische diarree heeft en onverteerd voedsel in de ontlasting zichtbaar is, kan er sprake zijn van exocriene pancreasinsufficientie (EPI). Deze aandoening, waarbij de alvleesklier onvoldoende spijsverteringsenzymen produceert, komt vaker voor dan veel eigenaren vermoeden. Met de juiste diagnostiek en behandeling kunnen getroffen honden en katten echter een uitstekende prognose hebben.

Wat is Exocriene Pancreasinsufficientie (EPI)?

Exocriene pancreasinsufficientie is een chronische aandoening waarbij de alvleesklier niet langer in staat is voldoende spijsverteringsenzymen te produceren. Deze enzymen – lipase, amylase en protease – zijn essentieel voor het afbreken van respectievelijk vetten, koolhydraten en eiwitten in het voedsel. Zonder deze enzymen kan het lichaam voedingsstoffen niet effectief opnemen, ongeacht de kwaliteit of hoeveelheid van het voedsel dat wordt gegeten (Westermarck & Wiberg, 2003).

Bij honden is de meest voorkomende oorzaak van EPI pancreas-acinus-atrofie, een progressieve degeneratie van het enzymproducerende weefsel van de alvleesklier. Bij katten wordt EPI vaker veroorzaakt door chronische pancreatitis of ontsteking van de alvleesklier (Steiner, 2003). De aandoening komt vaker voor bij bepaalde hondenrassen, met name Duitse Herders en Rough Collies, wat wijst op een genetische component (Westermarck et al., 1993).

Herkenning van Symptomen bij EPI

De klinische tekenen van EPI ontwikkelen zich doorgaans geleidelijk en kunnen aanvankelijk mild zijn. Typische symptomen omvatten:

  • Chronische diarree: Grote volumes lichtgekleurde, vette ontlasting (steatorrhoea)
  • Gewichtsverlies: Ondanks een goede tot verhoogde eetlust
  • Verhoogde gasvorming: Flatulentie en een opgeblazen buik
  • Coprofagie: Het eten van eigen of andermans ontlasting, vermoedelijk een poging om ontbrekende voedingsstoffen te verkrijgen
  • Slechte vachtkwaliteit: Dof, droog of schilferig haar
  • Verhoogde eetlust: Polyfagie als compensatie voor slechte absorptie

Bij katten kunnen de symptomen subtieler zijn, met gewichtsverlies en veranderde ontlastingsconsistentie als belangrijkste aanwijzingen.

Diagnose: de cTLI-test als gouden standaard

De diagnose van EPI wordt bevestigd door middel van een bloedtest die de canine of feline trypsin-like immunoreactivity (cTLI of fTLI) meet. Deze test is zeer specifiek en gevoelig voor EPI. Voor een betrouwbare uitslag moet het dier minimaal 8-12 uur gevast hebben voordat bloed wordt afgenomen.

Een lage TLI-waarde bevestigt de diagnose EPI. Aanvullend onderzoek kan bestaan uit het meten van cobalamine (vitamine B12) en folaat niveaus, aangezien veel dieren met EPI ook tekorten aan deze vitamines ontwikkelen door veranderde darmfunctie (Batchelor et al., 2007).

Behandeling: Pancreatic Enzyme Replacement Therapy (PERT)

De hoeksteen van de behandeling van EPI is pancreatische enzymvervangsingstherapie (PERT). Door bij elke maaltijd spijsverteringsenzymen toe te voegen aan het voedsel, kunnen de ontbrekende enzymen van de alvleesklier worden gecompenseerd.

Poedervorm heeft de voorkeur

Onderzoek toont consistent aan dat poedervormige enzymsupplementen het meest effectief zijn. Tabletten, capsules en vooral enteric-coated producten (met maagsapresistente coating) zijn significant minder werkzaam (Wiberg et al., 1998). De enzymen moeten direct contact maken met het voedsel om effectief te kunnen werken.

Dosering

De standaarddosering voor honden is 1 theelepel enzympoeder per 10 kg lichaamsgewicht, toegevoegd aan elke maaltijd. Voor katten is de gebruikelijke dosis 1 theelepel per maaltijd, ongeacht het gewicht. Deze doseringen kunnen worden aangepast op basis van de individuele respons.

Alternatief: verse pancreas

Verse, rauwe alvleesklier (30-90 gram) kan theoretisch 1 theelepel enzymextract vervangen. Het weefsel blijft enzymatisch actief wanneer het wordt ingevroren voor meerdere maanden. Echter, vanwege het risico op bacterile besmetting en de praktische uitdagingen, hebben commerciële enzymformuleringen doorgaans de voorkeur boven rauwe alvleesklier (Wiberg, 2004).

Aanvullende behandelingsaspecten

Cobalamine (Vitamine B12) suppletie

Een groot percentage van honden en katten met EPI ontwikkelt een tekort aan cobalamine door verminderde opname in de dunne darm. Cobalaminetekort kan de respons op enzymtherapie ondermijnen en veroorzaakt op zichzelf symptomen zoals lethargie en slechte vachtconditie. Injecteerbare cobalamine wordt vaak voorgeschreven totdat de niveaus zijn genormaliseerd (Simpson et al., 2001).

Dieetaanpassingen

Traditioneel werd een vetarm dieet aanbevolen voor dieren met EPI. Recenter onderzoek suggereert echter dat een matig tot normaal vetgehalte acceptabel kan zijn, mits adequate enzymsuppletie wordt gegeven. De belangrijkste factor is de kwaliteit en verteerbaarheid van het voedsel, niet noodzakelijkerwijs het vetgehalte (Westermarck & Wiberg, 2006).

Behandeling van dysbiose

Sommige dieren met EPI vertonen aanhoudende symptomen ondanks adequate enzymtherapie en cobalaminesuppletie. In deze gevallen kan sprake zijn van intestinale dysbiose – een verstoring van de normale darmflora – of chronische inflammatoire enteropathie (Westermarck et al., 2005).

Behandelingsopties voor deze gevallen omvatten:

  • Antimicrobiële therapie: Antibiotica zoals tylosine kunnen helpen de darmflora te normaliseren.
  • Fecale microbiota transplantatie: Een opkomende behandeling waarbij gezonde darmflora wordt geïntroduceerd.
  • Probiotica: Kunnen de darmflora ondersteunen, hoewel de effectiviteit bij EPI niet volledig is vastgesteld.

Prognose en langetermijnmanagement

Met adequate behandeling kunnen de meeste honden en katten met EPI een uitstekende levenskwaliteit bereiken. Gewichtsherstel treedt doorgaans op binnen enkele weken tot maanden na het starten van enzymtherapie. Ontlastingskwaliteit verbetert vaak binnen dagen.

EPI is echter een levenslange aandoening die continue behandeling vereist. Enzymtherapie en eventuele cobalaminesuppletie moeten doorgaans levenslang worden voortgezet. Regelmatige controles bij de dierenarts zijn belangrijk om de respons op behandeling te monitoren en eventuele complicaties tijdig op te sporen.

Rassen met verhoogd risico

Hoewel EPI bij elk ras kan voorkomen, zijn bepaalde rassen genetisch gepredisponeerd:

  • Duitse Herders: Verreweg het meest getroffen ras, met een erfelijk karakter
  • Rough Collies: Verhoogde incidentie vergeleken met andere rassen
  • Engelse Setters: Ook een verhoogd risico gedocumenteerd
  • Chow Chows: Incidenteel gerapporteerd

Bij katten is er geen duidelijke rasvoorkeur vastgesteld, hoewel EPI bij katten over het algemeen minder vaak voorkomt dan bij honden.

Conclusie

Exocriene pancreasinsufficientie is een behandelbare aandoening die, met de juiste aanpak, een normale levensverwachting en levenskwaliteit mogelijk maakt. De sleutel tot succes ligt in vroege herkenning, correcte diagnose en consequente enzymvervangsingstherapie, aangevuld met cobalaminesuppletie waar nodig.

Bij Vitanimo begrijpen we de uitdagingen van het leven met een huisdier met spijsverteringsproblemen. Heeft u vragen over enzymsuppletie of andere aspecten van de spijsverteringsgezondheid van uw hond of kat? Wij staan klaar om u te informeren over de mogelijkheden.

Bronnen

Batchelor, D. J., Noble, P. J., Cripps, P. J., Taylor, R. H., McLean, L., Leibl, M. A., & German, A. J. (2007). Breed associations for canine exocrine pancreatic insufficiency. Journal of Veterinary Internal Medicine, 21(2), 207-214. https://doi.org/10.1111/j.1939-1676.2007.tb02950.x

Simpson, K. W., Fyfe, J., Cornetta, A., Sachs, A., Strauss-Ayali, D., Lamb, S. V., & Reimers, T. J. (2001). Subnormal concentrations of serum cobalamin (vitamin B12) in cats with gastrointestinal disease. Journal of Veterinary Internal Medicine, 15(1), 26-32. https://doi.org/10.1111/j.1939-1676.2001.tb02293.x

Steiner, J. M. (2003). Diagnosis of pancreatitis. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice, 33(5), 1181-1195. https://doi.org/10.1016/S0195-5616(03)00061-5

Westermarck, E., & Wiberg, M. E. (2003). Exocrine pancreatic insufficiency in dogs. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice, 33(5), 1165-1179. https://doi.org/10.1016/S0195-5616(03)00057-3

Westermarck, E., & Wiberg, M. E. (2006). Effects of diet on clinical signs of exocrine pancreatic insufficiency in dogs. Journal of the American Veterinary Medical Association, 228(2), 225-229. https://doi.org/10.2460/javma.228.2.225

Westermarck, E., Wiberg, M., & Junttila, J. (1993). Prevalence of exocrine pancreatic insufficiency in German shepherd dogs and rough-coated collies. Journal of the American Animal Hospital Association, 29, 249-253.

Westermarck, E., Frias, R., & Skrzypczak, T. (2005). Effect of diet and tylosin on chronic diarrhea in beagles. Journal of Veterinary Internal Medicine, 19(6), 822-827. https://doi.org/10.1111/j.1939-1676.2005.tb02771.x

Wiberg, M. E. (2004). Pancreatic acinar atrophy in German shepherd dogs and rough-coated collies: Etiopathogenesis, diagnosis and treatment. A review. Veterinary Quarterly, 26(2), 61-75. https://doi.org/10.1080/01652176.2004.9695169

Wiberg, M. E., Lautala, H. M., & Westermarck, E. (1998). Response to long-term enzyme replacement treatment in dogs with exocrine pancreatic insufficiency. Journal of the American Veterinary Medical Association, 213(1), 86-90.

Terug naar blog